Met e-mail van 19 januari 2026, vraagt de heer Niko Stas, gemeenteraadslid, om volgende motie op de agenda te plaatsen:
Naar aanleiding van de opmerkingen die reeds werden gemaakt binnen het BCSD en tijdens de bespreking van het meerjarenplan in de gemeenteraad, wens ik hierbij een motie te agenderen betreffende het afsprakenkader voor aanvullende financiële steun binnen het OCMW.
De motie heeft betrekking op het gebruik van het REMI-instrument bij de toekenning of weigering van aanvullende steun, zoals vastgelegd in het afsprakenkader met het Vast Bureau, evenals op het hanteren van het GGMMI (minimumloon in de private sector) als plafond voor deze steun bij activeerbare personen.
Indien u hierover opmerkingen, suggesties of alternatieve voorstellen heeft, verneem ik die graag, bij voorkeur onder de vorm van een amendement op de gemeenteraad.
Het is mijn bedoeling om deze motie zo breed mogelijk te laten dragen.
Kort samengevat gaat het om volgende aandachtspunten:
Binnen de huidige toepassing van REMI worden bepaalde posten “geneutraliseerd”.
Hoewel dit formeel mogelijk is binnen een beleidskader, ondermijnt deze praktijk de wetenschappelijke en inhoudelijke onderbouwing van het instrument.
REMI is bedoeld als beleids- en ondersteuningsinstrument, niet als sluitende beslissings- of weigeringstool.
Het instrument brengt financiële tekorten in kaart die samenhangen met menswaardige maatschappelijke participatie, maar het blijft aan de maatschappelijk werker om, op basis van een individuele beoordeling van behoeftigheid, te oordelen of bijkomende steun noodzakelijk is.
Het gebruik van het GGMMI als plafond voor aanvullende steun bij activeerbare personen is juridisch bijzonder problematisch.
Arbeidsrechtelijke normen toepassen op sociaalrechtelijke ondersteuning is niet vanzelfsprekend en onvoldoende onderbouwd.
Meer aangewezen maatstaven zijn de Europese armoedegrens of de CEBUD-referentiebudgetten, die beter aansluiten bij de reële kosten van menswaardig leven.
Voor een volledige toelichting verwijs ik graag naar de onderstaande motie.
Wie dieper op deze materie wil ingaan, kan ook bij mij terecht voor een uitgebreidere analyse.Motie
1. Aanleiding, context en argumentatie
De Raad voor Maatschappelijk Welzijn stelt vast dat het huidige afsprakenkader voor aanvullende financiële steun in belangrijke mate steunt op de toepassing van de REMI-tool Referentiebudget voor een Menswaardig Inkomen). Deze tool wordt in de praktijk gebruikt om te beoordelen of en in welke mate bijkomende financiële hulp wordt toegekend (naast het leefloon of equivalent leefloon).
De Raad erkent dat REMI een nuttig ondersteunend instrument kan zijn om zicht te krijgen op inkomsten en uitgaven, zeker in een context van toenemende complexiteit van dossiers en hoge werkdruk binnen de sociale diensten. Tegelijk stelt de Raad vast dat de huidige toepassing van REMI binnen het afsprakenkader fundamentele tekortkomingen vertoont.
Concreet wordt een vastgesteld financieel tekort regelmatig geneutraliseerd door het bijtellen van posten zoals “toekomstige voorzieningen” en “ontspanning”. Deze posten maken deel uit van referentiebudgetten die aangeven welke uitgaven nodig zijn om menswaardig te kunnen leven, maar vertegenwoordigen geen daadwerkelijk beschikbare of besteedbare middelen. Door deze posten als positieve correcties te gebruiken, ontstaat een kunstmatig positief saldo, terwijl de feitelijke financiële nood blijft bestaan.
Daarbij moet worden opgemerkt dat met name de post “ontspanning” in de referentiebudgetten afhankelijk is van de gezinssamenstelling en toeneemt naarmate een gezin groter is of oudere kinderen telt. Wanneer deze post wordt aangewend om tekorten weg te rekenen, ontstaat het risico dat gezinnen met meerdere (oudere) kinderen systematisch minder snel als behoeftig worden beschouwd, ondanks hogere reële kosten. Dit leidt tot een structureel risico op ongelijke behandeling, louter als gevolg van gezinssamenstelling.
Deze werkwijze leidt ertoe dat behoeftigheid wordt gemaskeerd, dat cliënten structureel onvoldoende steun ontvangen en dat beslissingen onvoldoende aansluiten bij de reële levensomstandigheden van mensen. Dit staat haaks op de doelstelling van aanvullende steun, namelijk het waarborgen van een leven in menselijke waardigheid.
Daarnaast stelt de Raad vast dat het GGMMI in de praktijk wordt gehanteerd als een feitelijk plafond voor aanvullende steun bij activeerbare personen. Dit plafond is problematisch omdat het GGMMI geen realistische maatstaf is voor menswaardig leven: het ligt aanzienlijk onder zowel de Europese armoedegrens als onder de referentiebudgetten die aangeven welke middelen noodzakelijk zijn om volwaardig te participeren aan de samenleving. Het hanteren van het GGMMI als absolute grens verhindert dat aanvullende steun haar armoedebestrijdende functie vervult.
De Raad is van oordeel dat het huidige afsprakenkader daardoor zowel sociaal onrechtvaardig als methodologisch en juridisch kwetsbaar is en dringend aan herziening toe is.
2. Juridische grond
De Raad baseert zich op:
het grondwettelijk verankerde recht op een leven in menselijke waardigheid en op maatschappelijke bijstand;
de Organieke OCMW-wet, die het OCMW opdraagt om maatschappelijke dienstverlening te verlenen die mensen in staat stelt menswaardig te leven;
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder zorgvuldigheid, gelijkheid en het verbod op willekeur;
de bevoegdheid van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn om het lokale sociale beleid te bepalen en bij te sturen.
Hoewel aanvullende financiële steun tot de beleidsvrijheid van het OCMW behoort, kan deze vrijheid niet worden aangewend om feitelijke noden te ontkennen of om hypothetische of normatieve bedragen als inkomsten te beschouwen. Beleidsinstrumenten mogen het sociaal onderzoek ondersteunen, maar niet vervangen of uithollen.
3. Besluit
Artikel 1
De Raad voor Maatschappelijk Welzijn verzoekt het gemeentebestuur en het OCMW om het huidige afsprakenkader inzake aanvullende financiële steun grondig te herzien, met als doel een rechtvaardige, transparante en sociaal verantwoorde toekenning van bijkomende steun te waarborgen.
Artikel 2
In het herziene afsprakenkader mag de REMI-tool niet worden gebruikt als beslissingsinstrument. REMI kan uitsluitend worden ingezet als ondersteunend en diagnostisch hulpmiddel, en mag niet dienen om feitelijke financiële tekorten weg te rekenen.
Artikel 3
Het herziene kader moet expliciet bepalen dat posten zoals “toekomstige voorzieningen” en “ontspanning” niet worden beschouwd als beschikbare middelen en niet mogen worden bijgeteld om een vastgesteld tekort te neutraliseren. Vastgestelde tekorten moeten als reëel worden erkend bij de beoordeling van aanvullende steun.
Artikel 4
De Raad vraagt dat het GGMMI niet langer wordt gehanteerd als absoluut plafond voor aanvullende financiële steun. In de plaats daarvan dienen meer realistische en juridisch beter onderbouwde maatstaven te worden gebruikt, zoals de Europese armoedegrens en referentiebudgetten voor een menswaardig inkomen, met ruimte voor gemotiveerd maatwerk op basis van individuele omstandigheden.
Artikel 5
De Raad verzoekt het gemeentebestuur en het OCMW om, ter uitvoering van dit herziene afsprakenkader, de nodige en structurele budgettaire middelen te voorzien binnen de meerjarenplanning en de jaarlijkse begroting. Deze middelen moeten het mogelijk maken om aanvullende steun toe te kennen op basis van reële noden, zonder te moeten terugvallen op kunstmatige plafonds of rekenkundige correcties die behoeftigheid verhullen.De motie houdende herziening van het afsprakenkader inzake aanvullende financiële steun wordt niet goedgekeurd.